Hoe zorgvuldig we het participatieproces ook inrichten, niet iedereen doet (in gelijke mate) mee. Moeten we dan de diepte in duiken met de usual suspects die wel mee willen praten? Of moeten we gaan voor een breed gesprek en alles op alles zetten om de zwijgende meerderheid te verleiden? Hmmm…dilemma!

Iedereen die ooit al een participatietraject heeft opgezet, of eraan heeft deelgenomen, zal het beeld herkennen: een wat stoffige zaal vol hoogopgeleide, witte mannen van middelbare leeftijd. Ze zijn vaak al politiek betrokken, ze zijn mondig én ze hebben de tijd om te participeren. Waar zijn de vrouwen? Waar zijn de inwoners met een migratieachtergrond? Waar zijn de gezinnen met een lager inkomen? Waar zijn de jonge mensen? Om tot een kwalitatief gesprek te komen en om de samenleving te weerspiegelen is diversiteit in het participatieproces belangrijk. Alleen blijkt dat gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Optie 1: je praat weer met de usual suspects

Het is te gemakkelijk en niet fair om te schieten op de usual suspects. Je kunt het hen natuurlijk niet kwalijk nemen dat ze gebruik maken van de participatiemogelijkheden die zich aandienen. Ze kunnen ook een waardevolle bijdrage leveren. Ze hebben de tijd om zich te informeren, ze kunnen meepraten op een behoorlijk hoog – zelfs technisch niveau, ze komen de op de proppen met goed doordachte ideeën. Het zou zonde zijn om die kennis zomaar aan de kant te schuiven.

Maar het is natuurlijk ook gevaarlijk om je in een participatietraject alleen te richten op een beperkte groep. Hoewel die groep goed geïnformeerd is en alle finesses van het project kent, komt dat de kwaliteit van het gesprek niet altijd ten goede. Het is ook interessant te weten wat hun buren vinden. Daarbij komt dat de luidste roepers vaak diegenen zijn die tégen een project zijn. Bij hen is de motivatie en de urgentie groter om zich in de debatten te mengen dan bij de voorstanders. Door te focussen op de usual suspects vereng je het blikveld en geef je de tegenstem mogelijk een te groot deel van het podium. Dit gaat ten koste van het meer genuanceerde geluid van het middenpubliek en maakt de zwijgende meerderheid nog stiller. Voor je het weet, voer je alleen nog een gesprek over wat allemaal niét mogelijk is, terwijl participatie zich eigenlijk moet richten op waar je elkaar kunt vinden.

Optie 2: je gaat op zoek naar de zwijgende meerderheid

Een participatietraject kost veel tijd, veel energie en veel geld. Zeker een overheid moet verstandig omspringen met publieke middelen. Is het dan wel slim om de zwijgende meerderheid absoluut te willen bereiken? Kunnen we de tijd, energie en geld niet beter aan de inhoud besteden en praten met wie spontaan gemotiveerd is om mee te praten? Het is immers een populair misverstand dat het brede publiek betrekken altijd meteen tot draagvlak leidt. ‘We hebben iedereen z’n zegje laten doen, dus er is draagvlak’, is te kort door de bocht. Het brede publiek betrekken levert nog niet per definitie een draagvlak op. Maar het is wel voorwaarde nummer één om tot een draagvlak te komen.

Ook al is het hard werken en vraagt het creativiteit het loont de moeite om de zwijgende meerderheid aan de praat te krijgen. Een breder en ander publiek dat de usual suspects overstijgt, zal de kwaliteit van het gesprek ten goede komen. Bovendien doe je op die manier recht aan de diversiteit van de samenleving van vandaag.

Ontdek onze tips over het dilemma 'Op pad met de usual suspects óf op zoek naar de zwijgende meerderheid'

Lees de tips van Noelle Aarts hier

  

Raak je ook niet uitgepraat over participatie? Op 16 september om 17 uur organiseren we daarnaast een goed gesprek over participatie in ons Connectcafé.

Meer weten over deze inspiratie?

Neem contact op met Tessa